Mais pas pour trois

Door schaamte verpletterd ging ik terug naar mijn bungalow; in de tuin klonk gelach. Midden op het zandpad stuitte ik op een kleine roerloze grijze pad. Hij vluchtte niet weg, hij had geen enkele verdedigingsreflex. Vroeg of laat zou een onoplettende voorbijganger over hem heen lopen; zijn wervelkolom zou worden vermorzeld, zijn platgedrukte vlees zou zich vermengen met het zand. De wandelaar zou iets weeks onder zijn schoenzool voelen, een korte vloek slaken en met zijn voeten over de grond schrapen om ze schoon te maken. Ik gaf de pad een duwtje met mijn voet; zonder zich te haasten bewoog hij naar de grasrand. Ik gaf hem nog een duwtje: hij liep het relatief veilige gras weer op, ik had zijn leven misschien een paar uur gerekt. Ik voelde me in een positie die nauwelijks boven de zijne verheven was: ik was niet opgegroeid in de beschermende cocon van een gezin, of van iets anders wat zich om mijn lot had kunnen bekommeren, me had kunnen steunen in tegenspoed en enthousiast had kunnen zijn over mijn avonturen en successen. Zelf had ik ook niet zo’n eenheid gesticht: ik was vrijgezel en kinderloos, niemand zou op het idee zijn gekomen steun te zoeken op mijn schouders. Net als een dier had ik eenzaam geleefd en zou ik eenzaam sterven.

Van en met: Mathijs Scheepers, Iris Bouche en Ernst Maréchal
In coproductie met: WP Zimmer en STUK Leuven
Tournee van 16 januari tot 28 februari 2003.