Aantekeningen Evelyne Coussens

Dostojevski aan de Dampoort

door Evelyne Coussens

Een bankkantoor aan de Dampoort in Gent. Een jonge vrouw van Oost-Europese origine staat aan het loket. Of haar bankkaart geblokkeerd is – ze gebaart het, Nederlands spreekt ze niet. De loketbediende vervloekt voor de tigste keer de buurt waar ze werkt. ‘Madammeke, uw kaart is niet geblokkeerd, ge staat 250 euro onder nul.’ Ze schuift de kaart van zich af, case closed.

De jonge vrouw heeft het niet begrepen. ‘Kaput?’ ‘Niet kaput, ge hebt geen geld meer.’ Daarop leest de bediende de rekeningstanden van de vrouw luidop voor. Zoveel kinderbijslag gestort die dag, zoveel gekregen van het OCMW, zoveel uitgegeven in de Aldi. Te veel uitgegeven. De coupvan haar monoloog is onverholen sarcastisch: ‘Ge moet af en toe ook eens iets bijstorten hé, madammeke.’ Over het kantoortje is een gegeneerde stilte neergedaald. Behalve het feit dat tien paar ogen haar nu koud of meewarig aanstaren, heeft de jonge vrouw nog steeds niets begrepen. Een blos schaamrood vliegt naar haar wangen.

La hontet

Niemand schept zo teder en zo groots zijn personages als Fjodor Dostojevski (1821-1881), niemand laat ze zo meesterlijk meedogenloos vertrapt worden door zijn medemens als de mistroostige Rus uit Sint-Petersburg. Ze worden vernederd, belachelijk gemaakt, behandeld als een parasiet. En al is hij al meer dan honderd jaar dood, zijn personages vullen vandaag nog steeds de straten. Je komt ze tegen aan de loketten van een postkantoor, ze zitten in een hoekje van de McDonald’s. Ze sleuren met gebogen schouders een boodschappenkarretje achter zich aan. Ze staren in een lege koffiekop. Ze proberen te verbergen dat ze gehuild hebben. Kleine, onmachtige mensen, veroordeeld tot onzichtbaarheid in een maatschappij waarin elke menselijkheid verdampt lijkt.

Veruit een van de meest beschadigde exemplaren uit Dostojevski’s galerij der vertrapten is de verbitterde, naamloze ex-ambtenaar uit de novelle Aantekeningen uit het ondergrondse (1864). Het is een extreem zelfdestructief personage, doordrongen van schaamte over zijn eigen bestaan – niet van een onschuldige pudeur met betrekking tot ongewenst (sociaal of seksueel) gedrag, maar van een wezenlijke honte* : een verpletterende dissociatie van de eigen identiteit, veroorzaakt door een allesverterende angst om afgesneden te worden van de menselijke maatschappij. Het is de angst om geen mens te zijn maar ‘een muis’, zoals het personage het uitdrukt. Deze honte heeft rampzalige gevolgen voor het personage zelf én voor zijn omgeving. Als een ware masochist gaat hij op zoek naar nog meer vernederingen – beter een negatieve relatie met de maatschappij dan geen relatie, denkt de masochist. In een tweede beweging wordt de masochist een sadist: hij draagt hij zijn eigen schaamte over op een ander, want er is altijd wel iemand te vinden die nog zwakker is, iemand om op zijn beurt te vernederen. Dat is het geval met de prostitué Liza, die hem nochtans vanuit een oprecht mededogen de hand reikt. De dubbelheid van slachtoffer en dader maakt van de ondergrondse mens een filosofisch, psychologisch, sociologisch én theatraal interessant wezen. Theatermaker Clara van den Broek van het Antwerpse sKaGeN verdiepte zich in de zielekrochten van dit creatuur. Ze kwam boven met een gelaagde monoloog, die subtiel speelt met de paradoxen van de gekwetste mens

Aantekeningen uit het ondergrondse

Het ‘ondergrondse’ betreft niet enkel de morsige, vuile kamer in Sint-Petersburg waarin het personage zichzelf uit het maatschappelijke leven heeft verbannen. Meer nog is het een state of mind, of eerder: een state of soul. Een vuile korst van verbittering en verzuring, waarvoor de ondergrondse mens – terecht of onterecht – de maatschappij verantwoordelijk acht, bedekt zijn ziel. Ziel en wereld zijn in die zin elkaars spiegel. Dostojevski schreef de novelle na een annus horribilis: in het jaar 1863 stierven zowel zijn vrouw als zijn broer, en werd hij opgezadeld met de schuldenlast van diens gezin. Hij kon bij die oncontroleerbare noodlottigheid echter rekenen op weinig begrip van zijn tijdgenoten, die in de ban waren van het vooruitgangsoptimisme van filosoof-schrijver Nikolaj Tsjernysjevski: mens en wereld zijn perfect maakbaar voor elkeen die hard werkt en zijn verstand gebruikt. In zekere zin is dit utopische uitgangspunt de voorloper van de ultraliberale American Dream én zijn stigmatiserende dark side: wie slaagt in het leven heeft dat aan zichzelf te danken, wie faalt heeft dat evengoed aan zichzelf te danken. Zoveel verantwoordelijkheid ligt op de schouders van het individu, dat het de gemeenschap ontdoet van elke verplichting tot solidariteit. Wie mislukt heeft dat verdiend, en verdient het vernederd en geminacht te worden.

Heel het eerste deel van Aantekeningen uit het ondergrondse is een koortsige aanval op dit rationalisme. De idee dat wetenschap en technologie zouden leiden tot het geluk van het individu is voor de ondergrondse mens een ontkenning van de irrationele, grillige en onberekenbare aard van dat individu – en van diens vrije wil. Een blind geloof in de wetenschap ontlast de mens op perverse wijze van elke verantwoordelijkheid voor zijn gedrag, want zelfs overspel is dan biologisch te verklaren, alsook de liefde, de psychopathie en tutti quanti. Maar de mens houdt gelukkig niet van een wereld waarin alles perfect te verklaren valt – in zo’n wereld verveelt hij zich dood. De mens houdt van verwoesting en chaos. Clara van den Broek actualiseert het eerste deel van de vileine redenering van de ondergrondse mens door die te stofferen met citaten van Houellebecq en te illustreren met recente voorbeelden van rampzalig afgelopen vooruitgangsoptimisme: Hiroshima, Tsjernobyl, de kernramp in Japan.

In een tweede deel is de toon anders. De ondergrondse mens haalt een aantal schaamtevolle herinneringen op aan gebeurtenissen die zijn leven gebrandmerkt hebben: een scène in een kroeg met officieren, een diner met oude klasgenoten. In zekere zin laat de schrijver hier oorzaak volgen op gevolg: de nihilistische levensvisie van de ondergrondse mens is immers het resultaat van zijn honte, geïnstalleerd door vroegere vernederingen. De melancholische toon van dit deel getuigt van de eenzaamheid, de hunkering van het personage. Ook van den Broek speelt zachter in dit tweede deel, milder – de gevoelloze kankeraar wordt ontroerend komisch in zijn nukkige onbeholpenheid. De scène van het diner zou slapstick kunnen zijn, indien de onderliggende wanhoop niet zo zou schrijnen. Want de persoonlijke tragedie van Aantekeningen uit het ondergrondse schuilt niet zozeer in de zielstoestand van de ondergrondse mens, maar aan het scherpe inzicht over zijn eigen conditie. Erger nog dan vernederd worden is het besef van die vernedering. Net die zelfreflectie ontneemt de ondergrondse mens elk zelfrespect, en doet hem ontsteken in woede en zelfhaat.

Een derde deel (dat enkel van den Broek in de tekst onderscheidt) betreft de herinnering van de ondergrondse mens aan de enige ware ontmoeting in zijn leven. Zijn schreeuw om liefde wordt door de prostitué Liza teruggekaatst in een echo van mededogen. Zij ziet hem. Zij begrijpt zijn lijden. Ze reikt hem de hand. Maar de honte overwint: de masochist gelooft niet in de mogelijkheid van een liefdevolle verbintenis:

‘Ik dool langs een blinde muur waarin ik een deur zoek om naar u toe te komen, om met u samen te kunnen zijn, om u iets van mijzelf te geven, en iets van u te ontvangen. Maar ik ben zo bang. De angst slaat mij teneer. […] Zult gij mij niet verstoten? Zult gij mij zien zoals ik ben, en zeggen ‘het is goed’? Ook al hebt ge mij gezien op een schaamtelijk moment, op een schaamtelijke plaats?’

Hij verbiedt zichzelf de bevrijding, en de tedere ontmoeting eindigt in een tragedie: hij vernedert het meisje op de ergst mogelijke manier.

Goedenavond. Ik ben een man

Alles aan het naamloze personage uit Aantekeningen uit het ondergrondse is dubbel: zijn dader- en slachtofferrol, zijn haat en zijn verlangen naar liefde, zijn arrogantie en zijn onzekerheid. Of misschien veroorzaken de antagonismen elkaar, is het de pijn van de vernedering, het verlangen naar liefde en het gebrek aan zelfvertrouwen die hem drijven tot het vernederen, het haten, het minachten. Met die tegenstelling speelt ook van den Broek in haar spel. Het begint al met haar lichaam zelf: als een frêle nimf komt ze de scène opgedanst, om even later met barse stem en geblokte houding het startschot te geven: ‘Goedenavond. Ik ben een man’. De woede die bezit heeft genomen van haar personage lijkt vele malen te groot voor haar gestalte. Daarmee is het masker geïnstalleerd: niet alleen Clara van den Broek speelt een rol, ook de ondergrondse mens geeft zich in eerste instantie niet bloot. De paradox wordt verder gezet in de enscenering: de warme aardekleuren van de wand- en vloertapijten tegenover het kille licht, de grootspraak van de man tegenover het mini-serviesje waaruit hij thee drinkt – gunt hij zichzelf werkelijk niets groters? Terwijl hij hartstochtelijk de absolute vrijheid van de mens bepleit houden de vingers van zijn ene hand de pols stevig omklemd, alsof die gevangen zit in ketenen. Tegenover het rationeel egoïsme van zijn tijd stelt hij de solidariteit van het dierenrijk: mieren bouwen samen aan een mierenhoop, wespen offeren zichzelf voor het leven van hun koningin. Met een bijl hakt hij houtblokken en stapelt ze tot een toren, metafoor voor zijn verlangen naar gemeenschap: ‘Ik stel een solidaire gemeenschap samen van blokjes. Die blokken houden elkaar in evenwicht, ziet ge. Die steunen elkaar.’

Door de uitwerking van die paradoxen (in tekst en op scène) slagen zowel Dostojevski als van den Broek erin om dit onaangename en onaantrekkelijke personage een menselijke kwetsbaarheid te geven. Maar voorzien ze ook een bevrijding? ‘On voit bien que la seule solution consiste à ceux qui éprouvent de la honte à avoir accompli certains actes fassent au contraire de celle-ci une force qui leur permette de prendre la parole.’** Met de act van het schrijven/spelen staan Dostojevski en van den Broek de ondergrondse mens toe om het woord te nemen. Het mededogen van Dostojevski bestaat erin dat hij zijn personage doorheen zijn pen laat spreken; van den Broek versterkt die geste nog door spreekruimte en toehoorders te concretiseren. Het geven van een stem, het voorzien van een luisterend publiek is het begin van een mogelijke bevrijding van de honte. En zelfs aan de Dampoort heeft iemand dat begrepen. Een tweede loketbediende kan de schaamte van de jonge vrouw niet meer aanzien. Hij staat op van zijn plaats en roept haar discreet binnen in een gesloten ruimte, ver van de nieuwsgierige oren van de omstaanders. Achter die gesloten deuren wordt de monoloog die zijn collega voerde plots een dialoog. Misschien beseft hij zelf niet wat hij op dat moment doet: een eenvoudig gebaar stellen van grootse menselijkheid.

*Ik ontleen de term hier aan TISSERON, Serge, De la honte qui tue à la honte qui sauve, in: Le Coq-héron, no 184, 2006, pp. 18-31.
**Ibid., p. 31.